In de stad

De stad

Ziek gebouw

Ik woonde een lezing bij over de stad waar ik woon en die ik op een of andere vreemde, onverklaarbare wijze, bemin. Vreemd en onverklaarbaar ja, want er zijn genoeg redenen om deze stad juist níet te beminnen, maar daarover een andere keer. De lezing ging over de naoorlogse wederopbouw van de binnenstad en ja hoor, opeens was-ie er weer, levensgroot op de muur geprojecteerd: het Maupoleum. Dit enorme gebouw, ontworpen door Piet Zanstra, werd alom beschouwd als het lelijkste van Nederland, een naargeestig blok beton, dat volgens de gemeentelijke planning eigenlijk tussen een hele rij andere blokken beton had moeten staan. Maar die andere blokken werden, dankzij protesten van omwonenden, nooit gebouwd en het Maupoleum stond alleen in al zijn stuitende functionaliteit. Op de begane grond bevonden zich winkelruimtes, waarin alleen maar stoffengroothandels waren gevestigd. De bovenetages werden gebruikt door de universiteit. Maar al snel werd duidelijk dat niemand kon of wilde werken in ruimtes waarvan de ramen niet open konden of geheel afwezig waren en de groothandels in stoffen op de begane grond trokken geen winkelend publiek aan, maar dealers, junks en zwervers. Een sick building noemt men dat. Het Maupoleum werd na 23 jaar afgebroken. Bij de sloop trof men nog een achtergelaten lijk aan. Nou geloof ik zeker wel dat Piets ontwerp een gevalletje helaas was, foute plek, foute bestemming, fout gemeentebeleid, foute alles, maar dat neemt niet weg dat ik me als architect de ogen uit mijn kop zou schamen als ik zoiets als het Maupoleum had durven neerzetten. Een gebouw waar niemand in wil zijn, wat voor bestemming het ook heeft, en waar niemand naar wil kijken, waar het ook staat, en dat na 23 jaar moet worden afgebroken. 23 jaar, godbeterehet! Zou je architectenhart niet bloeden als je naar al die eeuwenoude gebouwen kijkt die nog steeds fier overeind staan, die nog steeds functioneren, waar mensen graag vertoeven of er tegenover op bankjes gaan zitten om er met plezier naar te kijken? Mijn hart wel. Au.

 

Verdraagzaam roken

 

Ik at met een bevriende stadgenote bij een etablissement in het oude centrum. Ze hebben daar een buitenruimte, een terras in de tuin, en dat kwam goed uit, want het was erg warm weer. Aan het tafeltje naast ons zaten een dame en een veel jongere man tegenover elkaar net hun maaltijd te beëindigen en tot mijn grote vreugde stak de heer (was het haar zoon, haar man, haar impresario, haar cliënt?) toen heel tevreden een sigaret op. Tot mijn vreugde ja, want als de buurman het deed kon ik het zonder gêne óók doen. Want er hing een bordje op het terras met de tekst: Roken in overleg met uw buren. Het mocht dus ook van het management, als de buren het goed vonden. Een sigaret na de maaltijd is heerlijk, maar ervoor net zo goed. Dus terwijl de buurman zijn sigaret uitdrukte haalde ik er eentje uit mijn tas en stak hem aan. Vergenoegd glimlachten wij rokers, leden van het genootschap De Vreugdevolle Roker, verbonden door ons gemeenschappelijke genot. Maar na twee trekjes kwam er een echtpaar op leeftijd aan ons andere, tot dan toe lege, buurtafeltje zitten. De vrouw begon demonstratief en  luidkeels te hoesten en zei: “Ik ben ziek, ik kan niet tegen rook!” Haar punt was gemaakt en zonder morren maakte ik mijn sigaret uit. Ik ben weliswaar een vreugdevolle roker, maar geen strijdbare. Maar nu ontstak het rokende stel aan de andere kant in verontwaardiging. Wat een overdreven gedoe! Wat een gezeur toch tegenwoordig! Wat een onverdraagzaamheid en wat een ongezelligheid alom. En dat ik zonder slag of stoot zomaar had toegegeven aan de luimen van die kleinzielige trutten, me als een lam naar de slachtbank had laten leiden! Deze reactie vond ik wel wat ver gaan voor zo’n klein akkefietje van niks. Ik legde uit dat ik het niet erg vond om niet te roken, dat het sowieso niet lekker rookt als er iemand naast je een astma-aanval zit te simuleren, laat maar zitten, ik ga straks wel even voor de deur op straat op het rokersbankje zitten, wat er trouwens heel leuk uitziet, met een mooi vormgegeven asbak op standaard. “Maar dit is buiten!” riepen de rookburen. En dit is de grote stad waar iedereen zo vrij is! En opeens werd de relatie tussen dame en jonge man open gegooid. Ze kwamen uit Wortelkanaal. Hij was de zoon van haar vriendin, en door de jaren heen was hun verhouding alsmaar intiemer geworden. Maar ja, Wortelkanaal… Dus ondernamen ze een keer per maand samen een cultureel uitje. Dan bezochten ze een museum of een concert en daarna gingen ze uit eten. En dat alles in de grote, vrije stad. Die op sommige punten dus behoorlijk tegen bleek te vallen, vonden ze.

 

Oud en gestoord

Goed wijs

Inclusief

 

Neem nou inclusief.  Een heel gewoon woord, dat gebruikt wordt om aan te geven dat iets is inbegrepen, niet wordt uitgesloten.  Na inclusief wordt dan aangegeven wat er wordt ingesloten: de rekening is inclusief fooi, u ontvangt de schoenpoetsset inclusief een tube lederglansmiddel, het personeel bestaat uit 42 personen, inclusief twee schoonmakers. Heel duidelijk allemaal. Maar enige tijd geleden besloot iemand dat inclusief voortaan een andere functie moest hebben, namelijk dat van een bijvoeglijk naamwoord. Kennelijk was iedereen dat met hem/haar/hen eens, want het wordt thans alom als zodanig gebruikt, óók of misschien wel júist door de overheid. Opeens hebben we te maken met een inclusieve samenleving en inclusief onderwijs. Bij deze besluitvorming is men vergeten de gemiddelde landgenoot, bijvoorbeeld schrijver dezes, te informeren over wat dat nieuwe inclusief nou precies inhoudt. Bij de term inclusief onderwijs denk ik aan een zin zoals deze: Het kabinet heeft zich ten doel gesteld alle kinderen t/m 18 jaar uit te rusten met een pakket noodzakelijke levensbenodigdheden, inclusief onderwijs. Maar nee, het is me duidelijk geworden dat zoiets helemaal niet wordt bedoeld. Wat dan wel? Moet het onderwijs dan inclusief iets zijn? Inclusief plantenverzorging, houtbewerking, de bevolkingsopbouw van Mongolië? Dat blijkt het ook niet te zijn. Inmiddels heb ik begrepen dat het nieuwe inclusief niet zozeer op de inhoud van het onderwijs slaat, als wel op degenen aan wie het gegeven wordt. Inclusief betekent hier met inbegrip van alle minderheidsgroeperingen die je maar kan bedenken. Mensen met onbegrepen gedrag, rolstoelbestuurders, mensen uit de LHBTJehhh, hoe zit het ook alweer-gemeenschap, anorexiapatiënten, doven en visueel beperkten, personen met het syndroom van Down en al die andere groepen die zich kenbaar hebben gemaakt als minderheid of dat nog zullen doen. Dat kan dus iedereen zijn, en daarmee is inclusief onderwijs een geheel betekenisloze term geworden.

 

 

Verveling

 

De laatste tijd signaleer ik in het goede-adviezen-en-wijze-levenslessenverkeer dat op alle media de ronde doet opeens een nieuwe stroming: de waardering voor verveling. Naast de stappenplannen, diëten, zweethutten, wordjezelfmethoden etc. wordt het grote vervelen nu niet meer verguisd, maar zelfs aanbevolen als bron van inspiratie en voedingsbodem voor rijke creatieve, wetenschappelijke en spirituele uitingen. Eindelijk kan ik nu tevreden achterover leunen, want, terwijl ik altijd alleen maar heb gedaan wat slecht voor me was en nooit enige discipline heb kunnen opbrengen om het goede levenspad te bewandelen, kan ik nu eens zeggen dat ik óók iets gezonds doe, en dat al mijn hele leven heb gedaan. Ik verveel me namelijk over het algemeen kapot. En  kijk waar dat me gebracht heeft! Mijn ouderlijk huis lag zeer afgelegen op het platteland, in een buurtschap bij een dorp waar ik niemand meer kende sinds ik de (toen zo geheten) lagere school had verlaten. Eenmaal in de grote stad op het gymnasium gezeten  kon ik dus nergens naar toe en niemand kwam mij opzoeken. Veel te ver fietsen. Binnen dat ouderlijk huis viel voor mij ook al niet veel te beleven, zodat ik in arren moede maar mijn huiswerk ging maken. Terwijl ik eigenlijk in duistere kroegen als fascinerende vrouw aan de bar had willen zitten en goede gesprekken had willen voeren tijdens geanimeerde etentjes met in filosofie, kunst en mij geïnteresseerde vrienden en vriendinnen. Maar dat zat er allemaal niet in, voorlopig niet in ieder geval, en daarom koos ik eieren voor mijn geld. Huiswerk maken dus. En kijk, ik slaagde voor mijn eindexamen. Dankzij de verveling, durf ik gerust te beweren! Ik ben heel blij dat ik ook eens ergens bij hoor. Bij de Verveling tot Nut van het Algemeen-beweging.

 

 

Maak jouw eigen website met JouwWeb